Faillissementen stijgen, keuzes krimpen: wanneer geopolitiek cashflow raakt

Voor het vijfde jaar op rij stijgt het aantal bedrijfsfaillissementen wereldwijd. Wat het verschil maakt deze keer, is niet alleen het tempo, maar de bron van de druk: geopolitiek die rechtstreeks doorwerkt in energieprijzen, financieringscondities en betalingsgedrag.

Voor een CFO voelt dit bekend én ongemakkelijk tegelijk. De organisatie heeft zich aangepast, kasbuffers zijn opgebouwd en het debiteurenbeheer is aangescherpt. En toch blijft de onderstroom onrustig. Niet omdat de business vandaag instort, maar omdat de bandbreedte om fouten te maken kleiner wordt. Elke beslissing raakt cashflow. Elke keuze schuurt tegen risicoacceptatie.

De verwachting is dat het aantal faillissementen wereldwijd in 2026 met circa +6% stijgt en daarna op een hoog niveau stabiliseert. Het conflict in het Midden‑Oosten voegt hier duizenden gevallen aan toe. Niet morgen, maar structureel. Dat is het cruciale verschil met eerdere crises.

België lijkt relatief goed te presteren (+1% vs. +5% EU). De stijging blijft beperkt, maar dat beeld is verraderlijk. Het niveau ligt nog altijd fors boven dat van vóór 2020 (+15%). Wat vroeger uitzonderlijk was, is nu de norm.

Zoals Johan Geeroms, onze Benelux Risk Underwriting Director, het verwoordt: “Ondernemers krijgen minder uitstel en kampen met hogere kosten. De Belgische en Europese economie leeft met structureel hogere faillissementsniveaus.”

Voor een CFO betekent dit geen acute paniek, maar permanente waakstand. De vraag is niet of er tegenwind komt, maar hoe lang ze aanhoudt en hoeveel ruimte er nog zit tussen operationele winst en financiële veerkracht.

De huidige energiecrisis is geen tijdelijke schok. De huidige langetermijnprijsverwachtingen veronderstellen energieprijzen die duurzaam boven het pre‑conflict­niveau liggen. België blijft sterk afhankelijk van olie en gas. Een langdurige verstoring vertaalt zich rechtstreeks in hogere inputkosten, transportprijzen en druk op marges.

Dit raakt niet alleen de P&L. Het raakt de balans. Hogere energiekosten betekenen:

  • meer werkkapitaal vast in voorfinanciering,
  • minder flexibiliteit in pricing,
  • en een grotere gevoeligheid van EBITDA‑volatiliteit voor externe schokken.

Johan Geeroms benoemt het scherp: “De huidige oliecrisis is de derde grote energieschok in zes jaar. De gevolgen van de gehavende energie‑infrastructuur blijven nog vele jaren voelbaar.

Voor de CFO ontstaat hier een ongemakkelijke spanning. Investeren in efficiency en energietransitie is rationeel. Maar het vraagt Capex op een moment dat cashflow-voorspelbaarheid juist cruciaal is. Uitstel verbetert liquiditeit nu, maar vergroot blootstelling later. Er is geen optimale timing, alleen beheersbare scenario’s.

Inflatie, hogere rente en krappere financiële voorwaarden maken groei selectiever. Niet elke omzet is nog wenselijk. Niet elke klant past binnen de risk appetite.

Tegelijk duwen commerciële teams op volume. Marktaandeel voelt als bescherming. Stilvallen voelt als achteruitgang. Hier ontstaat interne frictie die je niet oplost met spreadsheets alleen.

Bedrijven met zwakke prijszettingsmacht, hoge leverage of structureel hoge DSO lopen nu disproportioneel risico. Niet omdat de vraag volledig wegvalt, maar omdat de combinatie van trage betalingen, duurdere financiering en dunne marges snel doorwerkt in liquiditeitsstress.

Elke keuze heeft een reëel nadeel:

  • Strenger kredietbeleid beschermt cash, maar remt omzet.
  • Ruimte geven aan klanten ondersteunt groei, maar vergroot DSO en convenantrisico.
  • Capex uitstellen verlengt technische schuld.
  • Investeren nu vergroot druk op vrije cashflow.

Dit is geen optimalisatievraag. Dit is begrenzen. En accepteren dat “goed genoeg” soms het maximaal haalbare is.

Wat deze fase verraderlijk maakt, is de vertraagde werking. Faillissementen stijgen niet door één klap, maar door optelsommen. Trager betalende klanten. Hogere voorraden als buffer. Kredietlijnen die strakker worden gemonitord.

De secundaire effecten van geopolitieke spanningen – hogere verzendkosten, onzekerheid in toeleveringsketens, terughoudende banken – vergroten de volatiliteit in werkkapitaal. Juist daar waar veel CFO’s het gevoel hadden grip te hebben opgebouwd.

Hier zit ook geen snelle oplossing. Je kunt versnellen in cash‑in of vertragen in cash‑out, maar beide raken operationele relaties. De vraag verschuift van “hoe optimaliseer ik DSO?” naar “welke variabiliteit accepteer ik nog zonder mijn convenanten te raken?”

In deze context is risicomanagement geen beschermingslaag achteraf, maar een voorwaarde om überhaupt keuzes te kunnen maken. Het beïnvloedt:

  • de voorspelbaarheid van cashflow,
  • de stabiliteit van EBITDA,
  • en de ruimte binnen financieringsafspraken.

Niet om risico’s weg te nemen, die blijven. Maar om de bandbreedte te verkleinen waarbinnen ze doorwerken op de cijfers. Dat maakt groei niet veilig, maar wel verdedigbaar richting bestuur en financiers.

Zoals één CFO het zou samenvatten in de boardroom: als ik mijn downside niet kan afbakenen, kan ik mijn upside niet toestaan.

De komende jaren vragen geen heroïsche sprongen, maar consistente keuzes onder druk. CFO’s die uitsluitend reactief sturen, blijven brandjes blussen. CFO’s die hun risicobandbreedte expliciet definiëren, behouden ruimte om te bewegen.

Het verschil zit niet in het voorspellen van geopolitiek. Het zit in hoe consequent je financiële sturing is ingericht op onzekerheid. Niet om elk risico af te dekken, maar om niet verrast te worden op het moment dat je speelruimte al verdwenen is.

Dat is geen optimisme. Dat is financiële discipline. En die bepaalt wie overeind blijft wanneer de cijfers blijven stijgen.

Wij volgen dagelijks geopolitieke ontwikkelingen, sectortrends en wereldwijd betaalgedrag. Die kennis zetten we in om jou als CFO te ondersteunen bij het tijdig herkennen van risico’s en het versterken van je vooruitblik, zodat je met vertrouwen beslissingen kunt nemen, ook als de economische mist dichter wordt.